logo

 Onderzoek         Contact  FAQ

Wat is verslaving en wanneer ben je verslaafd?

Bij een verslaving verliest de gebruiker de controle over het gebruik van een middel en treedt er lichamelijke en/of geestelijke afhankelijkheid op. Een belangrijk kenmerk van verslaving is tolerantie voor het middel; er is een steeds grotere dosis nodig om hetzelfde effect te bereiken. Bovendien ervaart de verslaafde serieuze, onontkoombare lichamelijke ontwenningsverschijnselen wanneer de inname van het middel lager is of stopt. De onderliggende oorzaak hiervan ligt in de hersenen.

Achtergrondinformatie

In Nederland stelt men, net als in veel andere landen, verslaving vast aan de hand van de zogenaamde Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, versie 5 (DSM-5). DSM is het  Amerikaans diagnostisch en statistisch handboek voor psychische stoornissen dat in de meeste landen, waaronder Nederland, als standaard dient in de psychiatrische diagnostiek. DSM was noodzakelijk om meer uniformiteit te brengen in het stellen van diagnoses, zoals depressie, psychose en verslaving. DSM-1 verscheen in 1952 en is in de loop van de tijd diverse malen aangepast aan nieuwe inzichten. In de meest recente versie uit 2013, DSM-5, staat verslaving beschreven als ‘stoornissen in het gebruik van middelen’. In DSM-5 wordt verslaving aan de hand van elf criteria vastgesteld en onderverdeeld in drie niveaus. Bij twee tot vier criteria is de stoornis in het gebruik van middelen mild, bij vier of vijf matig en bij zes of meer ernstig.

De elf criteria voor verslaving volgens DSM-5 zijn:

  • Gebruik in grotere hoeveelheden of over een langere periode dan gepland was.
  • Er is een aanhoudende wens of er zijn mislukte pogingen om te minderen of te stoppen.
  • Veel tijd wordt gestoken in het verkrijgen, gebruiken of herstellen van het middel.
  • Er is een sterk verlangen om het middel te gebruiken.
  • Door gebruik tekortschieten op het werk, school of thuis.
  • Blijven gebruiken ondanks dat het sociale problemen met zich meebrengt.
  • Het opgeven van hobby’s, sociale activiteiten of werk door het gebruik.
  • Blijven gebruiken, zelfs wanneer men daardoor in gevaar komt.
  • Blijven gebruiken, ondanks weet hebben dat het gebruik lichamelijke of psychische problemen met zich meebrengt of verergert.
  • Grotere hoeveelheden nodig hebben om het effect nog te voelen, oftewel tolerantie.
  • Het optreden van onthoudingsverschijnselen, die minder hevig worden door meer van de stof te gebruiken.

Suiker en andere voedingsstoffen komen niet voor in DSM-5 als (potentieel) verslavende stoffen.

Lees de details in:

http://www.psychiatry.org/

.

Nieuwsbrief: suiker in perspectief

sip42

Kinderen is het thema van ‘Suiker in Perspectief’ editie 42. De eerste 1000 dagen van een kind zijn bepalend voor de rest van zijn leven, vertelt prof. dr. Tessa Roseboom. ‘Er is geen gemakkelijke oplossing om de groenteconsumptie van kinderen te verhogen’, aldus onderzoeker Vera van Stokkom (Msc). ‘Maar kindervoorkeuren zijn te veranderen.’ Lees ook de interviews met onder andere dr. ir. Astrid Postma-Smeets over de Schijf van Vijf die jonge kinderen weinig speelruimte biedt en met prof.dr. Cor van Loveren: ‘Ik vind het opvallend dat mondgezondheid bij kinderen in de afgelopen jaren niet beter is geworden.’

Nieuwe Infokicks: informatieve filmpjes over suiker

Maakt suiker nu dik of niet? Is suiker verslavend? En waarom zit er eigenlijk suiker in voedingsmiddelen? Om uitleg en antwoord te geven op dergelijke vragen heeft Kenniscentrum suiker & voeding in samenwerking met wetenschappers op dit gebied een vijftal informatieve filmpjes gemaakt.

Bekijk alle infokicks

Informatiemap

informatiemapBent u diëtist, voedingskundige intermediair of beleidsmaker? Dan biedt de informatiemap van Kenniscentrum suiker & voeding u achtergrondgegevens zoals samenvattingen van wetenschappelijke literatuur, verschillende position papers en factsheets. Abonnees ontvangen enkele keren per jaar een update van (delen van) de inhoud.

Vraag gratis aan

deel deze pagina